Zuivelsector verduurzaamt maar er is nog werk aan de winkel

De Belgische zuivelsector is al een aantal jaren bezig haar impact op klimaat en omgeving te reduceren. Op 6 november stelde ze haar tussentijdse resultaten voor in het Vlaams Parlement in Brussel.

Resultaten verduurzaming

Advertising

Begin 2014 rolde de zuivelsector zijn duurzaamheidsmonitoringprogramma uit in Vlaanderen. Maar ook voordat het programma volledig in actie kwam, deed de sector al inspanningen. De melkproductie steeg ten opzichte van 2001 met 31 procent terwijl het aantal melkkoeien daalde met 6 procent en ook het benodigde landbouwareaal voor deze productie daalde met 8 procent door de verhoogde productiviteit per hectare ruwvoer. Op die manier nam de CO2-voetafdruk per liter melk met 26 procent af tussen 2000 en 2015. Recent onderzoek voorziet dat er nog 33 procent daling mogelijk is in de komende jaren.

Deze goede resultaten hebben deels te maken met een verminderde veestapel in combinatie met een gestegen productiviteit. Meer liters per koe is niet alleen vanuit economisch maar ook vanuit duurzaamheidsstandpunt interessant. Daarnaast zijn ook de samenstelling van het krachtvoer (minder sojameel en sojaschroot), de verandering van de voedersamenstelling (meer bijproducten uit de voedingsindustrie en efficiëntere benutting van krachtvoer, eigen gras en eiwitrijk ruwvoer), meer mestscheiding en opslag dikke fractie en een toename van de hernieuwbare energieproductie, verantwoordelijk voor deze goede resultaten.

Opvallend is dat een rantsoen dat weinig nevenstromen bevat maar veel sojaproducten, leidt tot 16 procent meer broeikasgasemissies dan een vergelijkbaar rantsoen met nevenstromen. België doet het wat dat betreft niet slecht, ten opzichte van rantsoenen die bijvoorbeeld in Oost-Europa en de Balkan gebruikt worden.

Belang lokale eiwitbronnen

Verschillende onderzoeken richtten zich de voorbije jaren dan ook op de lokale productie van eiwitten. In verband met duurzaamheid is dat inderdaad de te volgen weg, om de soja-afhankelijkheid te kunnen afbouwen. Lokale soja is een optie maar ook bedrijfseigen eiwitten zoals de teelt van luzerne, peulvruchten en grasklaver, zijn belangrijk. Het areaal grasklaver bijvoorbeeld steeg in 2018 met 15 procent ten opzichte van 2017 naar 14.933 ha.

Methaanuitstoot verminderen

Als het over methaanuitstoot gaat, kijkt men al snel richting de koe. En dat klopt, koeien stoten vrij veel methaan uit, zo’n 3 procent van de totale broeikasgasemissies in Vlaanderen. De totale methaanuitstoot is dan weer ‘goed voor’ 51 procent van de broeikasgassen van de Vlaamse landbouwsector. De andere emissies zijn lachgas (26 procent) en CO2 (23 procent). De reductiemogelijkheden voor methaan bevinden zich enerzijds in de fokkerij via genetische selectie naar voederefficiëntie en lage methaanproductie en anderzijds in het sturen van de pensflora en de darmfermentatie door het rantsoen aan te passen en via voederadditieven.

Het ILVO startte in 2014 een project om te onderzoeken hoe deze methaanemissies via sturing van de pensflora en de -fermentatie naar beneden kunnen zonder de productiviteit van de koe te benadelen. Het project is nog niet afgerond maar heeft wel al positieve resultaten gebracht. Door een (nog niet commercieel beschikbaar) additief toe te voegen aan een evenwichtig basisrantsoen, verminderde de methaanuitstoot van de koe met maar liefst 25 procent. Minder spectaculaire maar toch ook interessante resultaten die onmiddellijk toepasbaar zijn, waren er door het basisrantsoen aan te passen met bijproducten uit de voedingsindustrie (-15 procent methaanuitstoot door bierdraf en koolzaadschroot te gebruiken in plaats van sojaschroot). Deze optie heeft bijkomend een veel lagere koolstofvoetafdruk omwille van de bijproducten. In alle gevallen waren er geen negatieve effecten op de stikstofefficiëntie en de productieresultaten.

Resultaten duurzaamheidsmonitor

Via IKM wordt ondertussen al sinds 2014 de verduurzaming van de melkveesector gemeten: 35 goede praktijken in 7 duurzaamheidsdomeinen (dierengezondheid, dierenwelzijn, energie, milieu, dierenvoeding, water & bodem, sociale aspecten) moeten de duurzaamheid van de sector op een vrijwillige en bedrijfseigen manier verhogen. Vermits de IKM-controles om de 3 jaar plaatsvinden op de bedrijven, zijn diegenen die in 2014 en 2015 gecontroleerd werden, al aan hun tweede cyclus bezig. 93 procent van de IKM-gecontroleerde bedrijven deed ook meteen mee aan de duurzaamheidsmaatregelen. De resultaten gaan in stijgende lijn. In 2014 koos een gecontroleerd bedrijf gemiddeld voor 9,4 duurzaamheidsmaatregelen. In 2017 was dat bij diezelfde bedrijven al gestegen naar 13,8 maatregelen.

Zoals de 7 duurzaamheidsdomeinen al laten vermoeden, gaan niet alle maatregelen over milieu en klimaat. Populair op vlak van dierengezondheid is bijvoorbeeld werken met een vaste dierenarts (85 procent) en actief deelnemen aan de bestrijding van dierziekten (87 procent). Niet zo goed scoort het plan voor verantwoord antibioticagebruik (23 procent). In verband met dierenwelzijn heeft 66 procent een vrije loopstal met voldoende comfort en evenveel bedrijven voorzien vachtverzorging. 46 procent zet in op langleefbaarheid.

In het energiedomein is er nog verbetering mogelijk: slechts 4 procent van de deelnemers liet een energiescan uitvoeren. Nochtans is dit een maatregel die de melkveehouder ook veel geld kan besparen. 31 procent produceert eigen hernieuwbare energie via zonnepanelen, een windmolen of een biogasinstallatie.

Dat lokale eiwitbronnen een belangrijke focus zijn, haalden we al aan. 56 procent van de bedrijven gebruikt nevenproducten uit de voedingsindustrie als veevoeder; 24 procent teelt zelf vlinderbloemigen. Dat laatste cijfer zou zeker in de komende jaren moeten stijgen.

Deel van de oplossing

De melkveehouderij is niet enkel een deel van het probleem, maar ook van de oplossing. Grasland bijvoorbeeld slaat veel koolstof op in de bodem. Volgens onderzoek zou deze opslagcapaciteit in dezelfde grootteorde liggen als een bos. Vermits 40 procent van het landbouwareaal in België bestaat uit grasland, is dit dus een belangrijk aspect in de strijd tegen de klimaatopwarming. Maar dan moet het gehalte organische stof in de bodem wel op peil gehouden worden, iets wat de afgelopen decennia in Vlaanderen zeker niet het geval is. Om koolstof in de bodem te behouden, is het belangrijk dat het grasland zo lang mogelijk op hetzelfde perceel blijft. De afbraak van bodemorganische koolstof na het scheuren van grasland gaat namelijk dubbel zo snel als de opbouw van koolstof na de inzaai van grasland.

Maar ook in andere duurzaamheidsaspecten zoals biodiversiteit, zuiver water, gezonde en voldoende voeding, heeft de zuivelsector zijn rol te spelen. Maar biodiversiteit is nog niet voor alle melkveehouders een evidente keuze: uit de resultaten van de duurzaamheidsmonitor blijkt dat maar 24 procent daar een actiepunt van maakt. Daarnaast hergebruikt slechts 14 procent water voor diverse doeleinden, maar 42 procent gebruikt wel alternatieve waterbronnen.

En de rest van de keten?

Ook in het transport van de melk naar de zuivelverwerking, zijn duurzame stappen gezet: het brandstofverbruik per 1.000 l opgehaalde melk daalde met 12 procent. In 2017 voldeed al 97 procent van de ophaalwagens aan de EURO 5 norm en 46 procent heeft zelfs al de EURO 6 norm. Er zijn nog wel verbeterpunten: het oppompen van de melk kan energie-efficiënter, andere brandstoffen gebruiken is een optie en de routes kunnen nog verder geoptimaliseerd worden.

In de melkverwerking ten slotte daalde het energieverbruik per 1.000 l verwerkte melk met 27 procent ten opzichte van 2005, de CO2-uitstoot verminderde met 37 procent, er was 27 procent minder water nodig en het restafval nam af met 61 procent. Verdere optimalisatie is nodig bij de eigen energie-opwekking (bijvoorbeeld via warmtekrachtkoppeling), het verhogen van het hergebruik van water en het beperken van grondstofverliezen.

Mogelijk maar lastig

Renaat Debergh, voorzitter interprofessionele taskforce duurzaamheid zuivelsector, is tevreden met de eerste resultaten van de duurzaamheidsmonitor maar ziet ook enkele zwaktes van het systeem.

“Het is zeker positief en productief dat de zuivelsector deze monitor samen opgezet heeft, met een uitrol over de volledige sector. Dit zorgde voor veel sensibilisering en responsabilisering. Er is ruimte voor bedrijfsspecifieke keuzes en de helft van de initiatieven is ook economisch interessant. De maatregelen zijn objectief en meetbaar en worden door onafhankelijke auditoren vastgesteld. Op deze manier zorgen we ook voor continuïteit in de inspanningen. Maar er is spijtig genoeg geen rechtstreekse meerwaarde voor de melkveehouder, het is eerder een ‘license to produce’. Valoriseerbare criteria zoals weidegang zijn niet opgenomen in het systeem. Het overleg vergt ook veel tijd en het is niet gemakkelijk om de snelle evoluties bij retail en afnemers bij te houden. Momenteel zijn er ook geen concrete reductietargets gedefinieerd.”

En verder…

“We zullen alleszins blijven verder ontwikkelen aan deze monitor. De voorbereidingen voor de derde ronde zijn al bezig. We voorzien een benchmark voor elk melkveebedrijf en individuele tools voor de melkveehouder. We willen ook individuele begeleiding en verduurzamingstrajecten aanbieden en verder sensibiliseren. Er staan ook een aantal specifieke onderzoeksprojecten gepland. We hebben al mooie resultaten behaald maar we zijn er nog niet. De druk van de afnemers wordt steeds groter. De doelen in het klimaatbeleidsplan van de Vlaamse Regering zijn mogelijk maar zullen wel een aanzienlijke inspanning vergen”, aldus nog Renaat Debergh.

Bron: Vakblad Melkveebedrijf – december 2018

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *